Wegens de eindredactie van de door mij samengestelde verhalenbundel Alice. Nieuwe avonturen in Wonderland (verschijnt in 2025 bij uitgeverij Poespa Producties in Gent) en die van een solo-project was het een tijdje stil op Verhalen uit Vreemde Oorden. Photo credit: MasterTux, via Pixabay. MONA RUBENS - DE SPIEGELS VAN DE OORLOG
24 februari 2022 Ik wacht op het signaal van generaal Pjotr en probeer mijn hartritme onder controle te krijgen. Dit is het moment waarvoor we de laatste vier maanden getraind hebben, toch voelt alles nu anders. Dit keer is het echt. Na jarenlang conflict tussen Rusland en Oekraïne is de tijd voor oorlog aangebroken. De buitenlucht voelt ijskoud aan en de regen stort naar beneden. Mijn handen trillen lichtjes, maar mijn grip rond het geweer blijft sterk. De spanning in de lucht is bijna tastbaar en om me heen kan ik de snelle, onregelmatige ademhalingen van mijn kameraden horen. We weten allemaal dat er geen weg terug is. Eén bevel, één startschot en de oorlog begint. tien jaar eerder “Ik zou graag willen dat jullie het volgende hoofdstuk lezen tegen morgen. En denk al eens na waarom de schrijver hier verandert van perspectief.” De bel ging en de gang vulde zich met leerlingen van het eerste tot het zesde middelbaar die klaar waren om naar huis te vertrekken. Ik niet. Ik bleef bevroren staan in de gang tot iemand hard tegen mijn schouder aan liep. Zodra ik mijn evenwicht terugvond, draaide ik me om om te kijken wie het was, maar haar gezicht kon ik niet meer zien. Alleen een flits van felrode krullen, identiek aan de mijne, verdween in de menigte. Toen ik thuiskwam, liet ik me zakken in de zetel van de woonkamer, die overspoeld was met de geur van sigaretten en oud bier. Mijn vader was altijd laat thuis en 's ochtends vond ik hem dan in de keuken of in de woonkamer op de grond, in een plasje van zijn eigen kots. Thuis zorgde ik dus voor mezelf: ik kookte, deed de afwas en poetste wanneer het nodig was. Dat was altijd al zo geweest. Op school hadden ze gemerkt dat er iets niet klopte met mijn thuissituatie, dus werd ik verplicht om elke donderdag als de lessen voorbij waren, naar mevrouw Ivanov, de zorgcoördinator, te gaan. Met haar bespraken we niet alleen mijn vader, maar ook de 'hallucinaties', zoals zij ze noemde, die ik af en toe zag. Vorige week had ze mij een trucje geleerd zodat ik mijn hallucinaties kon onderscheiden van de werkelijkheid; het enige wat ik altijd op zak moest hebben, was een draaitolletje. Haar instructies waren duidelijk: “De volgende keer dat je onzeker bent of iets een hallucinatie is, draai dan aan het tolletje. Als het blijft draaien, dan zit je hoogstwaarschijnlijk in een hallucinatie. Maar als het na een paar seconden omvalt, dan is het echt.” Sindsdien nam ik mijn tolletje overal mee naartoe. De laatste dagen op school leken eindeloos, maar er was iets veranderd in mijn routine. Elke keer als school voorbij was en ik in de gang stond, kreeg ik dezelfde duw op mijn schouder van het meisje met de felrode krullen. Dus besloot ik haar aan te spreken. Ik wachtte op het belsignaal en ging in de gang staan. Toen ik opnieuw geduwd werd, greep ik haar schouder vast. Ze draaide zich om en ik kon mijn ogen niet geloven. Ze leek precies op mij – haar ogen, haar neus, haar mond -- zelfs het litteken onder haar wenkbrauw was hetzelfde. Kon dit mijn tweelingzus zijn?! Had ik überhaupt een tweelingzus? De volgende dagen leek ze spoorloos verdwenen. 24 februari 2022 “Bereid je voor!” roept generaal Pjotr. Mijn gedachten dwalen af, terug naar het moment waarop ik oog in oog stond met het meisje dat eruitzag als mijn spiegelbeeld. Was ze echt? Ik steek mijn hand in mijn zak en voel het tolletje tussen mijn vingers. Een gewoonte die ik nooit heb kunnen afleren, zelfs nu niet. Mevrouw Ivanov zou zeggen dat ik het tolletje moest gebruiken, maar ik ben te verdoofd om eraan te denken. “Focus,” fluister ik tegen mezelf. Dit is niet het moment om afgeleid te raken. Het bevel kan elk moment komen. Generaal Pjotr beweegt zich langs onze linie; zijn gezicht is strak, zonder enige emotie. Hij heft zijn hand op en vervolgens worden onze oren gevuld met een luide knal. Het eerste schot is gelost. Ik draai me om naar het geluid en zie haar staan. Het meisje met rode krullen. Tien jaar later en ze is niks veranderd. Ze staat aan de andere kant van de linie, in Oekraïense legerkleding. Haar ogen kruisen de mijne, en een paar seconden lang lijkt de tijd stil te staan. Ik kan de emotie op haar gezicht niet aflezen. Wraak? Woede? Jaloezie? Verwarring? Zeer langzaam richt ze haar geweer mijn kant op. Haar vinger staat klaar op de trekker. Zou het echt zij kunnen zijn? Nu kan het toch geen hallucinatie zijn? Ik kijk recht in haar ogen als ze de kogel afvuurt en val als een steen op de grond. Terwijl alles rondom mij vervaagt, voel ik de koude lucht die mijn lichaam omhelst. En op dat laatste moment, net voordat ik mijn ogen sluit, zie ik dat het tolletje blijft draaien.
0 Opmerkingen
Maud Blomme, van wie ik onlangs het prachtige verhaal 'Het gaat door de maag' (geschreven voor de tweede editie van de Piet Apol-wedstrijd) mocht publiceren, bezorgde mij gisteren het ontroerende sprookje 'De vergeten winkel', dat veel zinnigs zegt over de condition humaine. Photo credit: Pexels, via Pixabay. MAUD BLOMME - 'DE VERGETEN WINKEL' In een stad waar straatlantaarns knipperen als vuurvliegjes en het wegdek nooit droog is, bevindt zich in een smalle steeg een bijzondere winkel. Deze boetiek, die bekendstaat als ‘de vergeten winkel’, toont zich enkel aan het volk onder het felle licht van de volle maan. Voorbijgangers kennen het wonderlijke karakter van deze winkel; hier worden herinneringen verkocht. Je kunt ze proeven, ruiken, voelen alsof ze de jouwe zijn. Geld heb je er niet nodig… # Op de nacht van de tiende volle maan van het jaar zat Ada op de stoeprand voor de winkel te wachten. Met haar handen diep in de zakken van haar gewatteerde jeansjasje keek ze naar haar zwarte lakschoenen. Stukken van blaadjes en vreemde oranje pluisjes plakten door de regen aan haar schoenen. De tip van haar schoen leek als het ware gelakt te zijn door de herfst. Ze keek op naar de groene winkel voor haar. Niemand was er deze nacht al binnengestapt. En toch wilde ze wachten op de blik van een klant om te zien welke indruk de winkel werkelijk achterliet. Binnen brandde er een zwoel licht – het soort licht dat men associeert met warme soep en wollen sokken. Enkel en alleen door dat licht wist ze dat het er warm was. Door de gekleurde glasramen zag ze een figuur achter een toog staan. De schim veraadde niet of het om een man of een vrouw ging, maar het kapsel gaf Ada een mannelijke indruk. Al de hele nacht stofte de schaduw de duizenden potjes en flesjes af, om ze vervolgens te sorteren. Het was een soort visuele massage voor Ada die, hoewel ze hier was gekomen om haar leven wat minder ordinair te maken, de rust van de routine kon appreciëren. Ze zou liever binnen gebleven zijn, onder haar laken, want dit vochtige weer maakte haar haar altijd zo pluizig en ontembaar. Daarbovenop moest ze morgen om acht uur dertig op school zijn, maar de gedachte om nog een maand te wachten op de verschijning van de ‘vergeten winkel’ bracht haar een fomo van jewelste. Het begon opnieuw te druppelen. Ada stond op en zocht een plek om te schuilen. Verderop was er een afdak dat boven de ingang van een kleuterschool hing, maar van daar zou ze de winkel niet meer kunnen zien. Ze keek er nog eens naar. Het houten plakkaat aan de deur schitterde met een zacht, spookachtig licht. Het bord droeg alleen het opschrift ‘herinneringen te ruilen’, in sierlijke oude letters. Iemand moest het er zelf op geschilderd hebben, want onder de zwarte verf zag je dezelfde bogen in het rood, maar dan afgeschilferd. In een soort trance liep ze naar de deur. Ze sprak zichzelf moed in: ‘Dit is waar ik al acht maanden naar verlang, dit is wat ik wil.’ Ze twijfelde nog even voor de deur, maar legde dan haar hand op de gouden klink en stapte de winkel binnen. Een bel boven de deur kondigde haar aanwezigheid aan. De winkel leek tijdloos. De muren waren gevuld met kasten vol flesjes en dozen van verschillende afmetingen en materialen. De man achter de toog keerde zich naar haar om. Hij had zilvergrijs haar en ogen met een warme glans. ‘Ik dacht dat je nooit zou binnenkomen! Wat een geduld heb jij; de hele nacht zitten wachten, en je bent nog niet eens zo oud!’ Ada keek de man stilzwijgend aan. Ze voelde zich betrapt. Ze keek naar de krakende houten vloer zodat hij niet kon zien hoe rood ze werd. ‘Zoek je een nieuwe herinnering?’ vroeg hij zacht. Ada knikte en vroeg nerveus: ‘Hoe werkt het precies?’ ‘Het is eenvoudig’, antwoordde de oude man. ‘Hier betaal je niet met geld. Je ruilt een herinnering in om een nieuwe te krijgen. Kies wijs want sommige herinneringen zijn kostbaarder dan je denkt.’ ‘Het is maar een herinnering uit mijn kindertijd. Ik kan haar missen.’ Ze keek om haar heen en bekeek de flesjes aandachtiger. Sommige flesjes waren gevuld met dansende lichtjes, andere met pilletjes die verdacht veel leken op Tic Tacs. Het enige wat ze gemeenschappelijk hadden was het bruine label met hun benaming. Haar ogen vielen op een potje met het label ‘eerste skydive’ en een flesje met ‘gekste feesten van het jaar’. Ze beeldde zich in hoe het zou zijn om deze herinneringen haar eigen te maken en te vertellen aan haar klasgenoten hoe geweldig het allemaal was geweest, hoe geweldig zij was. Ze inspecteerde kasten en lades en stopte abrupt bij een blauw doosje op gouden pootjes. 'Een kus met persoon naar wens’. Voorzichtig raakte ze het reliëf van het dekseltje aan. Dit zou iedereen doen luisteren naar haar. Elk meisje droomde van een kus met hem. Ze pakte het doosje vast alsof ze bang was dat iemand anders hem van haar zou afnemen en ging terug naar de houten toog. Ze voelde zichzelf rood worden en vermeed oogcontact toen de man het doosje van haar overnam. De man knikte enkel en schoof een leeg flesje naar haar. ‘Blaas hierin terwijl je sterk aan jouw herinnering denkt.’ Ada deed zoals gevraagd. Onmiddellijk voelde ze een leegte. Een soort gemis. Het was alsof ze een kamer inliep om iets te halen, maar vanaf het moment dat ze binnen was, vergat wat ze hier kwam zoeken. Haar hersenen wáren de kamer en ze wist dat ze nooit zou achterhalen wat ze zocht. ‘Het is normaal iets onverklaarbaars te voelen. Na een tijdje stop je met zoeken naar wat je mist’, zei de man, die de verwarring in haar ogen leek te lezen. Hierna opende hij het blauwe doosje met de nodige precisie, legde de inhoud op zijn handpalm en stak die uit naar Ada. Een kubusje lag te blinken in zijn rimpelige hand. Ze nam het met duim en wijsvinger van de man over. ‘Als je zeker bent van deze herinnering, mag je hem gewoon doorslikken,’ zei de man. Ada aarzelde even. Ze was plots niet zo zeker meer van alles en wenste terug te gaan naar het moment dat ze voor de winkel zat. En toch, ze wilde ervan af zijn, ze wilde iemand anders zijn, ze wilde de oude man, die vriendelijk naar haar glimlachte, niet teleurstellen. Snel legde ze het vierkante snoepje op haar tong en slikte het, zonder eerst te knabbelen, door. Een warme gloed verspreidde zich door haar lichaam, terwijl haar buik tintelde met een mix van nervositeit, geluk en trots. Haar ogen sloten vanzelf toen ze flitsen van een gezicht voor haar zag. Ze herkende de bruine lokken en olijfkleurige ogen, maar ze kende ze niet echt. Haar mondhoeken krulden omhoog toen ze zijn groene pareltjes naar haar lippen zag gaan, maar haar glimlach verdween abrupt zodra ze haar ogen opende en de oude man voor haar zag staan. Alles was nog hetzelfde, behalve zij. Het beladen interieur, het zachte licht en de rekken met potjes stonden er nog net zo onverstoorbaar bij. Haar blik haperde toen ze haarzelf in het raam weerspiegeld zag. Op het eerste gezicht leek er weinig veranderd – haar haar was even pluizig als bij binnenkomst en haar paar sproetjes stonden nog op dezelfde plek. Maar een scherp oog zag de manier waarop ze haar kin net iets hoger hield. ‘Voel je het?’ vroeg de oude man zachtjes. Ada knikte langzaam. Ze voelde zich groots. Alsof ze eindelijk de verborgen schat in zichzelf had ontdekt en nu met het goud in haar kon stralen. De volgende dag vertelde Ada vol zelfvertrouwen haar verhaal. Ze beschreef, met verliefdheid in haar ogen, de adrenaline, het gevoel van zweven en ongeloof. Haar vriendinnen luisterden vol bewondering naar haar verhaal. Het was een verhaal dat de school deed praten. Meisjes overrompelden haar met vragen – Hoe? Waar? Wanneer? – en jongens begonnen iets langer naar Ada te kijken. Voor het eerst voelde Ada zich waardevol. Ze was iemand met een verhaal, iemand naar wie geluisterd werd. De eerste week na de volle maan beleefde Ada hoogtijden. Trots liep ze door de gangen van het schoolgebouw terwijl de hakjes van haar lakschoenen weergalmden met elke stap. Mensen spraken haar aan en de blikken van degenen die ze passeerde, vertelden haar dat iedereen over haar had gehoord. De leegte in haar geheugen sluimerde nog wel, maar ze besloot dat dit gevoel het waard was. # Regen veranderde in sneeuw en Ada merkte dat de euforie steeds sneller vervaagde. Klasgenoten – hongerig naar details – begonnen om nieuwe verhalen te vragen, maar Ada had niets. Ze probeerde de vragen weg te lachen of op andere subtiele wijze onbeantwoord te laten. De aandacht begon ze te haten. Ze wist dat ze nieuwe avonturen wilde, avonturen die haar bijzonder maakten, maar de angst sloop naar binnen. Maakte juist wat ze had achtergelaten haar speciaal? Ze besefte het bedrog in haar hoofd, de waarde die ze hechtte aan een geknutselde herinnering. Haar hersenen voelden als losse draden wol zonder het centrum dat ze bijeenhield. Ada dwaalde door de straten, terwijl de sneeuw langs haar dwarrelde. Vlokjes nestelden zich op haar sjaal en af en toe voelde ze een ijskoude druppel langs haar nek naar beneden glijden. Ze stelde zich voor dat de vlokjes zelf kou leden en de warmte van haar lichaam probeerden op te zoeken. Haar blik bleef hangen bij de sneeuw die viel onder het licht van een straatlantaarn. Elk vlokje probeerde iets te worden voordat het onvermijdelijk verdween. Ze bleef ernaar staren totdat het beeld wazig werd. Een vreemd soort angst groeide in haar, niet voor wat ze gedaan had, maar voor wat ze was geworden. Ze was een verhaal zonder begin en was bang voor het einde. Ze liep verder door straten zonder een vaste route te volgen. De koude lucht kalmeerde haar hoofd, dat bleef zoeken naar wat ontbrak. Bij een kruispunt in een stille woonwijk keek ze naar links en rechts. Het besef drong door: ze kende deze plek. Ze sloeg rechtsaf, haar passen versnelden. Daar, de plek waar ze ooit zo lang had zitten wachten. Ze wierp vlug een blik naar de hemel. Een volle maan straalde helder boven haar. Hoopvol versnelde ze haar passen en bewoog richting de winkel. Ze stopte vlak voor de gevel. Hij was nog steeds even groen en mysterieus als voorheen, het plakkaat met het opschrift hing er nog altijd. Maar de klink voelde koeler aan dan de laatste keer. Zodra ze hem indrukte, rinkelde de bel. Met een stoffig doekje in de hand draaide de man zich om naar Ada. Hij keek haar nauwelijks verbaasd aan, alsof hij haar al verwachtte. ‘Welkom. Wat brengt je terug?’ vroeg hij rustig. ‘Kan ik mijn herinnering terugkrijgen?’ Haar stem brak bijna. ‘Ik hoef de nieuwe niet meer.’ De man keek haar een lange tijd aan, zijn blik zacht maar peinzend. Uiteindelijk schudde hij langzaam zijn hoofd. ‘Wat gegeven is, kan ik niet zomaar terugnemen. Dat zijn de regels.’ Zijn woorden klonken streng, ondanks de zachtheid in zijn ogen. De brok in haar keel maakte het onmogelijk te antwoorden zonder in tranen uit te barsten, dus knikte ze alleen. ‘Maar,’ vervolgde hij, ‘weet dat je nog altijd meer met je meedraagt dan je denkt. Een herinnering is niet slechts een moment om naar terug te kijken. Ze vormt je. Wat je achterliet, is niet weg. Het leeft voort in alles wat je doet.’ Ze voelde zijn woorden door haar lichaam trekken. Met opgeheven hoofd liep ze opnieuw de winkel uit. Buiten was het ijskoud, maar ze liet haar jas open en haar handschoenen in haar zak. Ze omarmde de kou en de lege plek in haar hoofd, die nu niet langer als een verlies voelde. Het was ruimte geworden – ruimte om te groeien, te beleven, te herinneren. Terwijl ze naar huis stapte, besloot ze dat het niet nodig was om op te vallen of herinnerd te worden door grootse verhalen. Het waren de kleine momenten die haar bijzonder maakten, zolang ze die de kans gaf om haar te raken. Photo credit: Rostislav Uzunov, via Pixabay.
Auteur Rik de Lavaletta, wiens filosofische SF-feuilleton 'Het oneindige leven van een pensionado in Zuidoost-Azië' momenteel op Out of this World loopt, schreef een lekker akelig horrorverhaal voor Verhalen uit Vreemde Oorden. Dank je, Rik! Photo credit: afbeelding aangeleverd door Rik RI DE LAVALETTA - HET LAATSTE AVONDMAAL
Ik miauwde, maar er kwam geen antwoord. Mijn mens lag daar, stil, alsof hij sliep, maar er was geen geluid, geen warmte. Ik tikte met mijn poot tegen zijn hand. Geen beweging. Zijn adem was verdwenen, en zijn geur… iets was anders. Maar ik begreep het niet. Ik bleef zitten, kijken, wachten. De stilte in het huis voelde dik, alsof de lucht zelf zich verzette tegen wat ik moest begrijpen. De dagen gleden voorbij, en de warmte in de lucht veranderde. Het begon dikker te voelen, verzwaard door iets wat ik niet kon plaatsen. Mijn maag knorde steeds harder, maar de kastjes bleven leeg. De geur uit zijn richting begon te groeien, zwol aan als een golvende rivier die me keer op keer overspoelde. Het voelde alsof het overal was, een zwaarte die me vulde. Het was een geur die niet van voedsel was, maar die als een onzichtbare draad aan mijn gedachten begon te trekken. Zijn lichaam begon te veranderen. De huid werd donkerder, strakker. Er kwamen vreemde vlekken en lijnen. Maar wat me het meeste fascineerde, was hoe hij begon te ruiken. Het was een geur van overvloed, maar iets dodelijks ook, iets wat ik niet begreep maar wat me steeds meer aantrok. Het liet me vergeten waarom ik hem ooit nodig had. Het bracht iets in me naar boven, iets dat ik niet eerder had gevoeld, iets dieper dan honger. Op een dag liep ik langs hem, maar ik stopte niet om te kijken. Ik voelde niets meer van de warmte die hij ooit gaf. Er lag geen mens meer, besefte ik. Het was… iets anders. Het was vlees. Veel vlees. De geur vulde de ruimte, steeds sterker, steeds opdringeriger. Mijn kop draaide een beetje schuin terwijl ik dichterbij kwam. Ik proefde de lucht, mijn bek voelde nat. Het vlees glom, sappig en vol belofte. Mijn poot raakte de rand van zijn arm, en ik voelde hoe zacht het was. Mijn hart begon te bonzen, maar het was geen angst. Het was opwinding, een diepe drang die ik niet meer kon onderdrukken. Ik keek naar beneden, mijn ogen groot en glanzend. Alles om me heen verdween. Er was niets meer. Geen kastjes, geen muur, geen stilte. Alleen dit. Dit was mijn paradijs. Een koninkrijk van overvloed waar ik de heerser was. Ik voelde de huid van zijn arm onder mijn tanden, het was koud en ruw, maar het was vlees. Mijn snorharen trilden terwijl ik verder beet, en de smaak die ik proefde was scherp, met een vleugje zout en metaal. Toen de druppels langs mijn tong gleden, verloor ik de controle. Mijn gedachten flitsten nog even door mijn hoofd, maar alles wat ik voelde was de drang om meer te eten. Meer, meer, meer. De uren vermengden zich met de dagen. De ruimte om me heen vervaagde steeds verder, totdat er alleen nog maar vlees was. Vlees, dat in mijn buik brandde, dat mijn gedachten vulde. De lucht was zwaar van de geur, en de muizen die ik eens had willen vangen, leken niet meer van belang. Zelfs de stilte voelde als een herinnering, iets dat ooit had bestaan. Toen ik opkeek, was het gezicht dat me aanstaarde niet meer hetzelfde. Wat ooit ogen waren, waren nu lege holen, gevuld met schaduwen. Zijn mond stond open, alsof hij wilde lachen, maar er was niets meer menselijks. Niets. Alleen de leegte die hij achterliet. De vliegen hadden zich verzameld, hun larven kropen over het vlees, alsof ze dezelfde honger voelden als ik. En toch voelde ik niets. Geen schuld. Geen spijt. Alleen honger. Dit was mijn wereld nu. Hij was niet langer mijn mens, ik was niet langer zijn kat. Het enige dat er nog was, was vlees. Je kan nog tot 16 februari inzenden voor deze wedstrijd. Ik ben een van de vier juryleden en ik verzorg de redactie van de verhalen die we publiceren. Out of this World organiseert een nieuwe verhalenwedstrijd met als thema ‘De belofte’. Schrijf een Nederlandstalig SF/F/H-verhaal met als thema ‘de belofte’. Vanaf 1 januari 2025 kan u deelnemen door een Nederlandstalig SF/F/H-verhaal tussen 1.000 en 2.500 woorden met als thema ‘de belofte’ naar [email protected] te sturen. U kunt deelnemen tot zondag 16 februari 2025, om 24u.
Reglement Schrijf een Nederlandstalig SF/F/H-verhaal tussen 1.000 en 2.500 woorden, met als thema ‘de belofte’. Je mag slechts één soloverhaal insturen. Daarnaast mag je nog, als je dit wenst, een tweede verhaal inzenden dat je samen met een andere auteur schrijft. Insturen kan vanaf 1 januari 2025. De uiterste datum van inzending is zondag 16 februari 2025, om 24u. Inzenden doe je naar [email protected] Je krijgt ontvangstbevestiging. Format: je verhaal komt ons toe in een doc of docx-bestand. Bestandsnaam: jouw volledige naam (of pseudoniem) gevolgd door de titel van het verhaal. Bovenaan het verhaal moeten de naam (of het pseudoniem) van de auteur en de titel van het verhaal staan. Opmaak: Times New Roman lettergrootte 12, regel- en alinea-afstand 1,5. Tekst uitgevuld uitlijnen. Geen insprongen vooraan een paragraaf. Enkel een witregel tussen paragrafen zetten bij sprong qua tijd, plaats of perspectief. Dialogen: gebruik enkele aanhalingstekens. Als je een verhaal inzendt voor de wedstrijd, geef je meteen ook toestemming voor publicatie op Out Of This World en mogelijk later in een bundel met een selectie van verhalen die op Out Of This World staan of een aparte ‘De belofte’-wedstrijdbundel. Eventueel redactiewerk, voorafgaand aan publicatie, gebeurt in overleg met jou. De jury behoudt zich het recht voor om enkel die verhalen te publiceren die zij voldoende goed acht. De auteurs van die verhalen worden hierover gecontacteerd. De rechten van het verhaal blijven bij de auteur berusten. Dat betekent bijvoorbeeld dat jij je verhaal – eens de wedstrijd voorbij is en na publicatie van je verhaal op OOTW – ook op een andere plek mag (laten) publiceren. Prijzen. Er wordt een top 20 opgesteld door de jury. Over het selectieproces wordt niet gecommuniceerd. Enkel de top 3 wordt gecontacteerd. De winnaar krijgt € 60, nummers 2 en 3 krijgen elk € 30. Staat in de top 3 een verhaal dat door twee auteurs samen werd geschreven, moet de geldprijs onder de auteurs verdeeld worden. Maarten Luikhoven bracht rond de jaarwisseling zijn solo-debuut uit, de verhalenbundel Sssht, geheim! (uitgeverij EdgeZero). Het boek bevat 28 vertellingen. Maarten was zo vriendelijk mij het korte SF-verhaal 'Opoffering' aan te leveren. Dank je, Maarten! Je weet dat een verhaal goed is als het een veel grotere wereld oproept dan in het bestek van de tekst zelf aan bod komt. Dit is zo'n geval. Knap werk. Maartens solo-bundel is hier te koop, en Grimdark in de polder, de recentste anthologie waarin werk van hem is verschenen, is hier te koop. Photo credit: Hasan Cilingir, via Pixabay. MAARTEN LUIKHOVEN - 'OPOFFERING' Je wordt wakker in de tank en je eerste gedachte is: Oh nee, niet weer. Snel neemt de routine het over en volg je het ingeprente protocol. Vloeistof verdwijnt, slangen laten los en met trillende spieren probeer je overeind te blijven, maar faalt. Nooit eerder gelukt, voor zover je weet. Op je knieën zie je beweging, je ontvangstcomité. De tank opent, ze vangen je op en leggen je op een tafel. Zacht sissen en blazen van apparatuur, bezorgde gezichten, vaag, je ogen zijn te lang dicht geweest. Je stem is een fluistering. “Te vroeg.” “Komt wel goed,” zegt een stem naast je, ergens bekend. “Je krijgt alles om snel te rijpen.” “Wat is de noodzaak?” vraag je. De stilte is zorgwekkend. “Nou, wat?” “De vijand is hier. Jullie hebben gefaald. Zelfs jullie. De oorlog is bijna verloren.” “Hoeveelste ben ik?” vraag je. “Negenhonderdduizendvierhonderdachttien.” De kilte is niet je naaktheid, maar het besef dat een miljoen soldaten is opgeofferd. “In al die tijd, geen succes?” Je knippert, de man naast je wordt duidelijker. Hij heeft jouw gezicht, ouder, vermoeid. “Wanneer eindigt het?” “Zolang ik leef, vechten we,” zegt de ander. “We doen het ultieme offensief, alles in de strijd.” Je kijkt om, ziet anderen als jij, honderden. Zolang jij leeft? Soldatenreflex neemt over. De oorlog is voorbij. OVER DE AUTEUR Maarten Luikhoven werkt internationaal voor verschillende werkgevers. Tijdens lange vluchten en in wachtruimtes pent hij verhalen in notitieboekjes. Soms kan hij die werkjes intypen, redigeren en zelfs vertalen. Met een ervan behaalde hij de top 10 van de Fantasystrijd Brugge van 2012. Hij is ook in het Engels en het Duits gepubliceerd. Photo credit: coverillustratie van Gidion Van de Swaluw.
Ik las voor Out of this World de fascinerende novelle 'Wachten in Budapest' van Guido Eekhaut. Hieronder kan je mijn recensie lezen.Photo credit: coverillustratie en binnenillustraties van Gert-Jan van den Bemd . GUIDO EEKHAUT - WACHTEN IN BUDAPEST
Uitgeverij Stichting Fantastische Vertellingen 2024 85 Blz. 978 90 78499 66 4 fantastische-vertellingen.com ‘We leven allemaal een geleend leven,’ zegt Stephaan Weber, die de heerser van een rijk, dat twee werelddelen beheerst, van advies voorziet omtrent binnenlandse betrekkingen. Geef de man maar eens ongelijk. Zoveel weegt op eenieder van ons: tijd, verlangen, schuld, ziekte. Hoe ouder we worden, hoe meer we van onszelf en anderen vervreemden. Zo las ik toch deze boeiende novelle van Guido Eekhaut. Het manuscript dateert reeds van 1983, zoals Guido in zijn voorwoord meegeeft. Een centraal element in het boek is wat de hoofdpersoon, Mark Benedikt, zelf benoemt als “gestrand zijn”, al vindt hij die bewoordingen prozaïsch. Dokter Benedikt is een man op de vlucht voor zijn vroegere leven. Veel lezers zullen zijn drang naar iets anders, wat dat ook moge zijn, als herkenbaar ervaren. Bovenal wil Benedikt van zijn verantwoordelijkheden in New York af. Zijn vrouw, Jeanninne, verafgoodt hem (of toch zijn werk), Benedikt ervaart haar als opdringerig. En hoe zinvol is zijn werk? Over de hele wereld sterven mensen aan een virus. Ze zijn met zovelen dat dokters niet iedereen kunnen helpen. Dus kiest Benedikt voor de vlucht vooruit. Alhoewel, of hij veel vooruitgang boekt is maar de vraag. Hij leidt een kleurloos leven in Boedapest. Hongaars spreekt hij niet, noch heeft hij veel interesses. Dat verandert wanneer hij de mooie studente Nadja ontmoet. Zij leert hem de stad beter kennen. Al gauw groeit Benedikts verlangen naar haar, maar op de achtergrond speelt veel meer. Wat hebben we ook aan een idyllische liefdesgeschiedenis anno 2025? Laat het maar knarsen, knerpen en een beetje pijn doen. Hoewel dit boek een novelle is, neemt Guido ons mee op een lange reis. Van Boedapest gaat het naar Mongolië – de passages in het paleis van de heerser zijn ijzingwekkend – en vandaar naar het onbestemde platteland. Onbestemd, nog zo’n woord dat de geestestoestand van Mark Benedikt beschrijft. Hij heeft een geweten, maar kan het (tijdelijk) opzij zetten. Hij zit vol verlangens, ook al ontkent hij die, en die laten zich al wat moeilijker wegdrukken. Bovenal is Mark Benedikt een man die zichzelf niet wil kennen, en misschien wel anderen nodig heeft om hem te tonen wie hij is, of wie hij zijn kan. Jazeker, Benedikt overschouwt, denkt en filosofeert … maar is hij ook? Klinkt dat een beetje vaag? Dat kan best zo zijn. Deze schitterende novelle, waarin enkele wrede elementen naar voren komen, presenteert scène na scène die intens is en toch op een bepaalde manier afstandelijk blijft. Samen vormen deze episodes een fascinerend geheel. Je blijft je als lezer verbazen over het wedervaren van Mark Benedikt alsook dat van de heerser die dreigend op de achtergrond aanwezig is. In tijden van Trump, Poetin en andere Jinpings is dit boek, hoewel iets meer dan veertig jaar oud, brandend actueel. Warm aanbevolen. Finn Audenaert (4,5) Maud Blomme bedacht voor de Piet Apol-schrijfwedstrijd het prachtige verhaal 'Het gaat door de maag'. Deze vertelling valt wat mij betreft op qua stijl en inhoudelijke kracht. Meer over de eerste editie van de schrijfwedstrijd vind je hier. Intussen hebben we de tweede editie achter de rug, waarbij Maud de derde plaats behaalde. Dank je, Maud, om me jouw verhaal te bezorgen. Photo credit: Fleischturbine, via Pixabay. MAUD BLOMME - 'HET GAAT DOOR DE MAAG' Geen enkel weldenkend mens biedt me nog warme melk en een luisterend oor aan als ik het luidop zou zeggen, maar de zure pijn in mijn arm is het bewijs voor de drie dagen dat ik hier al hang. In het licht dat uit de gang komt, beginnen de draden van het web langzaam zichtbaar te worden. Ze reiken als lichtgevende vezels door de hele kamer en ik kan mezelf er niet van weerhouden om te berekenen hoeveel truien ik uit dit web zou kunnen breien. Zeven is mijn gok. Ik tel de steekjes wol voorzichtig in mijn hoofd en ontdek dat dit een goede manier is om de kalmte te bewaren. Nutteloos wat mijn voortbestaan betreft, maar beter dan doemscenario's of grafschriften bedenken. ‘Naam Achternaam dood door verstikking in een gigantisch web.’ ‘Naam Achternaam gestorven aan hongersnood.’ 'Je blijft in ons hart.’ Liever richt ik me op het geduldig volgen van de draden en beloof mezelf plechtig dat, mocht ik ooit terug thuis zijn, ik van dit web een trui zou breien. Ik ontwaak met een schok, mijn arm brandt als vuur. Nu heviger dan ooit. De draden, lijmerig en zwaar, sluiten strakker om me heen met elke poging om los te komen. Het koord snijdt mijn arm af van de rest van mijn lichaam en mijn bloed lijkt weg te trekken uit mijn vingertoppen, zich stelselmatig voort te bewegen naar mijn wangen en voorhoofd waar de rode hitte me overweldigt. In het vage licht dat door het web schijnt, probeer ik mijn arm los te maken, maar mijn blik valt op een andere schaduw. De schaduw gaat gepaard met een stilte, een gespannen onzekerheid die ik niet kan plaatsen. Voor het eerst in dagen voel ik de aanwezigheid van iets anders dan mezelf. Het web lijkt te leven, de draden te ademen. Er wacht iets op mij. Ogen opnieuw gewend aan het donker, zie ik haar. Ze beweegt acht poten tegelijk, soepel en precies. De poten zijn lang als takken en haar lijf is even groot als mijn hoofd. Ze sluipt naar me toe. De pijn die tot voor kort nog zo brandde, vervaagt even door de tremor in mijn nek. De angst die ik al dagen meedraag – de dreiging die op dit web zelf bleek te hangen – krijgt nu vorm. Een zwarte danse macabre op weg naar mij. De angst vergezelt de pijn en verdooft mijn verstand. Mijn fantasie scheurt me aan stukken; zal ze me inwikkelen als vlieg? Armen en benen verlammen met grijze wol? Zal ik langzaam verteerd worden in haar maag? Het web zakt in door het gewicht dat nadert. Nu zo dichtbij dat ik het spinnenspeeksel hoor rondgaan in haar mond. Haar scherpe kaken klikken dreigend. Ze buigt zich naar me toe. Een lichte aanraking. Mijn oogleden op elkaar geperst. De kaken knippen bijna geruisloos de draad door, juist die waar het web zich zo in mijn arm had gegraven. Ik kijk ernaar, beweeg mijn prikkelende vingers, en zie de kleur terugkeren. Ik kijk in de pikzwarte pareltjes van de spin en schenk haar een dankbare glimlach. Traag vloeien de dagen in het web in elkaar over. Paniek en onzekerheid maken plaats voor een troostende stilte. Wanneer de nacht me rillingen bezorgt, wikkelt de spin me in haar zelfgesponnen zijde in. Aanvankelijk voelde elke draad die ze om me wond als een nieuwe ketting. Een ter dood veroordeelde wachtend op zijn laatste uur. Toch blijft ze een dekentje spinnen, weet ze waar de wind het koudste blaast, slaagt ze erin mijn spieren te ontspannen, ondanks mezelf. Overdag bekijk ik haar vanuit mijn hoek van het web. Hoe stil ze over de draden kruipt, elegant in haar routine. Ik begin patronen te herkennen in haar gedrag. Ze lijkt zich nooit te haasten, is altijd bedachtzaam bezig. Stiekem gefascineerd door haar manier van werken, bestudeer ik elke beweging, hoe ze de draden met toewijding spint en vastknoopt alsof ze een complex patroon volgt waarvan enkel zij de stappen snapt. Het web groeit onder haar poten uit tot een meesterwerk; elke fijne draad in perfecte harmonie met de anderen. Iedere dag komen er lagen bij. De deur, de ontsnapping, steeds minder zichtbaar door het web dat ze voor me spint. De grafschriften komen niet meer spontaan in me op. Ik ben blij om hier te zijn terwijl zij de wereld rond ons opbouwt, draadje na draadje. Hetgeen waarin ik vastzat, lijkt nu mijn gewicht voor me te dragen, mijn vermoeidheid te verlichten. Wanneer ik mijn ogen sluit, omringd door het deken van zijde, voel ik me veiliger dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik word wakker, waarschijnlijk voor de laatste keer. Ik kijk naar de bron van pijn en zie haar kaken diep in mijn vlees, zuigend op de aders van mijn hart. Ik voel haar geurloosheid, haar complete onverschilligheid tegenover mij. Ze snijdt dieper en ik voel mijn leven wegtrekken, maar weerstand hoef ik niet te bieden. De ontzaglijke pijn wordt overtroffen door mijn bewondering voor haar; de emotieloze precisie waarmee ze te werk gaat, hoe ze mij een deel maakte van haar web en hoe ze me wist te verrassen met dit leed. Mijn lichaam verwikkeld in de draden, mijn geest in haar aandacht, de vastberadenheid waarmee ze kiest mij leeg te zuigen. Het is een intiem proces, liefdevol zelfs, hoe ze elke vezel van me opeist en hoe ik het haar toelaat. ‘Mijn hart is van jou’, wou ik haar nog toefluisteren, maar ik wist niet in welke ogen ik moest kijken. Photo credit: Couleur, via Pixabay.
In december schreef ik een achttal ZEVENZEVENS, dat zijn ultrakorte verhalen van 77 woorden. 'Verkeerd gegokt' en 'Discipline' zijn de laatsten in het rijtje. Ik hoop binnenkort weer nieuwe ZEVENZEVENS te schrijven. Photo credit: TheDigitalArtist, via Pixabay. 'VERKEERD GEGOKT' Eerst ging het casino de lucht in. Dollarbiljetten dwarrelden in het rond. De renbaan volgde. Paarden vlogen de wolken in; het regende hoeven. In een residentiële buitenwijk vond men een verschroeide jockey in foetushouding. Rashid wist het wel: het liep een beetje uit de hand. Zijn vrouw hield de vinger op de knip. ‘Gokken is een verslaving!’ had ze geschreeuwd. ‘Je gaat cold turkey.’ Rashid tast naar het kraslot in zijn jaszak. Zou hij? Hij ruikt buskruit … Photo credit: Placid Place, via Pixabay. 'DISCIPLINE'
Evarist houdt van Palm. Bier van hoge gisting heeft hij hoog zitten. Met pilsjes doe je hem geen plezier. Alcoholici zijn chaoten? Nee! Evarists wekker rinkelt om 06u30. Hij holt de trap af, giet met bevende hand een eerste Palm uit. Zwaar ademend laat hij er een gekookt ei in glijden. Zijn leuze: ‘Stevig ontbijten zorgt voor een succesvolle dag.’ Tot middernacht zit hij voor de buis. Wanneer tv-gasten ‘euh’ zeggen, neemt hij een slok. Pure discipline! Hieronder kan je mijn eerste samenwerking met andere auteurs lezen, namelijk Bruno Lowagie en Ruben De Baerdemaeker. Photo credit: Iffany, via Pixabay. FINN AUDENAERT, BRUNO LOWAGIE EN RUBEN DE BAERDEMAEKER - 'DOC INFERNO'S UITSTAPJE'
Doc Inferno trekt zijn Colt Navy uit de holster en vuurt trefzeker. Het uitzinnige paard zijgt voor hem neer. Doc stapt onverstoord op het dier af. Hij ruikt het bloed en haalt zijn neus op. De lichte ijzergeur hangt al drie dagen in Dutchman’s Gulch. De dood heeft bezit genomen van het gehucht in het Great Basin. Gefascineerd staart hij naar de paarse tong die uit de bek van het kadaver hangt. Waarom keerde de natuur zich tegen ons? Hij spiedt om zich heen. Op het platte dak van de hoerenkast doet Brave Jim hem teken met zijn Winchester. Doc volgt de richting van de loop. Aan de rand van het gehucht doemt een stofwolk op. Doc en zijn gezellen hadden het zo druk met de drieste aanvallen van de paarden dat ze de naderende meute niet eerder opmerkten. Honderden runderen denderen door Main Street. Al gauw zitten Docs neus en oren vol zand. Hij staat reddeloos in het midden van Main Street. Hij kan niet anders dan het onheil ondergaan. Doc wankelt, maar valt niet. Wanneer hij een gat in de meute ziet, zoekt hij bescherming achter de waterput. Hij sluit zijn ogen voor de stampede en denkt aan de ranch dicht bij Eureka en zijn eenvoudige oudelui. Onschuldiger tijden. Dan is er enkel nog stilte. Doc wrijft het zand van zijn gezicht en schouders. Als bij wonder heeft hij de stormloop overleefd. Voor Eager Cindy’s sjofele tent ligt het vertrapte lichaam van Brave Jim. Stortte de stumperd zich in de massa om Doc het vege lijf te redden? Docs luide vloek gaat over in een aanhoudende hoest. Zouden zijn andere kameraden deze aanval overleefd hebben? Moeizaam waadt Doc door het zand. Cloudy Whisper heeft zich wellicht in de saloon verschanst. Daar bevindt zich de geestrijke drank ... Met een diepe zucht duwt Doc de klapdeur open. Hij wordt meteen vergast op een schot dat hem op een haar na mist. Hij hoorde het nauwelijks met al dat zand in zijn oren. Splinters dringen in zijn wang. Geërgerd staart Doc naar de geschonden deurlijst. Het moet om een groot kaliber gaan. Hij molenwiekt en brult: ‘Verrekte ‘shone, zie je geesten? Of ben je al zo dronken dat je je maat niet herkent?’ Cloudy komt achter de bar tevoorschijn en haalt schuldbewust zijn schouders op. Zijn handen zijn groot als kolenschoppen. De Derringer verdwijnt er bijna volledig in. ‘Haal je indianentengels van dat meidenpistool en help me de anderen te zoeken! Weet je waar Two-Gun zich verschuilt?’ Doc haalt met veel moeite het aangekoekte zand uit zijn oren. Zijn dikke vingers kleuren bruin. ‘Aan de tonnen voor de general store.’ Voor zijn rijzige gestalte heeft Cloudy een opvallend dun stemmetje. ‘Hij houdt de andere kant van Dutchman’s Gulch in de gaten, nu Big Frank er niet meer is.’ ‘Hm, daar verwacht ik weinig van. Vanochtend kon Two-Gun zelfs de horde prairiehonden met moeite afhouden.’ ‘Wie had ook gedacht dat die beestjes zich zo uitzinnig zouden gedragen?’ pruttelt Cloudy tegen. ‘We moeten uitbreken, man. Hier zijn we vogels voor de kat! Wie weet wat ons nog te wachten staat als we blijven.’ Cloudy maakt een onbestemd gebaar. Hij is duidelijk stomdronken. Aan een ‘shone heb je ook niets, denkt Doc. Hij somt op: ‘Eerst beet oude Garver de sheriff dood. Deputy Wallace schoot het mormel net te laat neer. Wat moet een sheriff ook met een bloedhond op een plek als deze? Ik kan me de tijd niet herinneren dat die dwaas Mort achter voortvluchtigen aan ging.’ Doc spuugt op de grond. ‘Toen brak het vee uit Murdochs kraal. Sindsdien maken die beesten dit verdoemde oord onveilig. Waarom ze dat doen, is me een raadsel.’ Doc valt stil. Bij die eerste stampede kwam Cloudy’s vrouw om. Hun dochtertje is nog altijd vermist. Cloudy draait zich om, beent naar de bar, grijpt de lege whiskyfles en gooit die naar de spiegel. Doc heeft er spijt van dat hij het zand uit zijn oren haalde. Hij vertrekt zijn verweerde gezicht als de scherven de plankenvloer raken. Het lawaai lijkt Cloudy bij zinnen te brengen. ‘Ja, herhaal vooral wat we over ons heen kregen. Daar worden we beter van, Doc! Over één zaak zijn we het eens: we moeten weg van deze plek. Mijn Sadie dwaalt hulpeloos rond daarbuiten. Het arme kind heeft in geen twee dagen gegeten. Ze zal intussen wel …’ Cloudy kokhalst, buigt voorover en braakt. Doc kan het niet langer aanzien; het is tijd voor actie. Hij neemt de misselijke Shoshone bij de schouder en stapt Main Street in. Naast de omgetuimelde tonnen ligt Two-Gun Joe’s ontzielde lichaam. Boven hem cirkelen aasgieren. Hij moet al een tijd geleden gestorven zijn, bij de eerste stampede misschien. Cloudy valt op zijn knieën en prevelt een paar onverstaanbare woorden. Hij knoopt Two-Guns vest dicht en klopt hem zachtjes op de borstzak. Hij sluit de ogen van zijn oude vriend. Doc kijkt ongedurig om zich heen. Ze bevinden zich aan de rand van Dutchman’s Gulch. Het groepje grillig gevormde Joshua trees – het lijken wel duivelsklauwen die zich een weg uit de grond hebben gegraven – doet hem aan gisteren denken. Toen patrouilleerde Big Frank hier nog. Op een ezel! Het dier graast wat verderop. Burro is het enige beest dat zich niet tegen de inwoners van het gehucht heeft gekeerd. Dat verbaast Doc niet. Burro laat zich nooit van de wijs brengen. Na al wat gebeurd is, lijkt gisteren wel een andere wereld. De mannen bulderden van het lachen toen ze zagen hoe Frank ondanks Docs hulp tevergeefs zijn dikke pens over Burro probeerde te tillen. ‘We moeten waakzaam zijn. Dit is geen toeval,’ zei Frank, die geërgerd de ezel een duw gaf. ‘Die hond valt niet zomaar zijn baas aan. Volgens mij zijn we te ver gegaan.’ Zijn uitspraak oogstte gelach. Tot dan had enkel de sheriff het leven gelaten; niemand had respect voor die slappeling, ook Doc niet. Het lachen verging de kerels toen de hoogste Joshua tree met luid gekraak omviel en de hele groep verpletterde, op Doc en Burro na. Big Frank overleefde zijn waarschuwing maar een minuut! Doc beeft als hij terugdenkt aan het beeld van de onverstoorbaar kijkende Burro en de plas bloed die aan diens hoeven lag. Hij schudt zijn hoofd en keert terug naar het nu. Hij staart naar Cloudy, die nog steeds over Two-Guns ontzielde lichaam gebogen zit. ‘Sta op, man, voor onze vriend kunnen we niets meer doen. Hij is nu bij Big Frank en de anderen. Deze plek is verdoemd. We moeten hier weg, Cloudy, zo ver als onze benen ons dragen kunnen.’ ‘Ik denk dat we een probleem hebben, Doc,’ blaast Cloudy zijn alcoholische adem recht in Docs gezicht. ‘Kijk eens achter je.’ Doc draait zich om en ziet hoe een donkere wolk op het stadje afkomt. ‘Een zwerm kraaien,’ roept hij. ‘Vlug, we moeten dekking zoeken!’ ‘De natuur is tegen ons,’ jammert Cloudy. ‘Als we over land niet aangevallen worden door runderen of prairiehonden, komen kraaien op ons af.’ Doc weigert op te geven. Hij wil Cloudy met zich meenemen, maar het lukt hem niet. Het lijkt wel alsof de Shoshone aan de grond geketend is: ‘Verdorie, Cloudy, werk toch eens mee!’ ‘Het spijt me, Doc. Ik kan niet. De natuur komt mijn lichaam opeisen.’ ‘Dat is dronkemanspraat!’ roept Doc, maar een blik op zijn vriend volstaat om te zien dat de Indiaan gelijk heeft. Cloudy’s benen zitten verstrengeld in wortels die als slangen uit de grond kronkelen. Doc voelt de grond onder zijn voeten rommelen, en het volgende moment scheurt de bodem open. # ‘Waar ben ik?’ vraagt Doc. Hij krijgt geen antwoord. Hij draait zich om en ziet hoe Cloudy hem met bloeddoorlopen ogen en opengesperde mond aanstaart. Een kruipbeest wurmt zich in een neusgat; de wortels snoeren Cloudy’s hals dicht. Gekneusd maar niet gebroken gaat Doc staan. Een lichtstraal valt door een gat hoog boven hem, maar er komt ook een schittering uit een gang die dieper naar beneden leidt. ‘Rust zacht, Cloudy,’ fluistert Doc met een laatste blik op zijn dode vriend. Hij stapt de gang in en gelooft haast niet wat hij ziet. De wanden van deze gang bestaan uit massief goud! Dat er goud te vinden is in Dutchman’s Gulch, dat weet iedereen, maar dit … dit houdt niemand voor mogelijk. Doc moet even bekomen van zijn ontdekking. Hij haalt diep adem en stapt in de richting van het licht dat weerkaatst wordt door de gouden muren. Hij komt uit op een driesprong waar een merkwaardige lichtbron aan het plafond hangt. Het lijkt wel een lamp met drie glitterende vruchten, die elk een richtingaanwijzer beschijnen. ‘Goudaderlaan’ leest hij op de pijl die de gang aanwijst waar hij vandaan komt. Op de pijl naar links staat ‘Olieveldweg’; op die naar rechts ‘Edelsteenweg’. Een donkere veldweg of een glitterende steenweg, die keuze is vlug gemaakt. Doc slaat rechtsaf. Hoewel er genoeg licht is om te zien waar hij zijn voeten moet zetten, kan Doc het niet laten de kleurrijke muur af te tasten. Die is bezaaid met edelstenen: robijnen, saffieren, smaragden… Wie op dit gebied een claim neemt, hoeft de rijkdom maar op te rapen en daarna nooit meer te werken. De aarde neemt, de aarde geeft. Hij heeft meteen spijt van die gedachte. Hij denkt aan de onfortuinlijke inwoners van Dutchman’s Gulch. Big Frank en zijn vrienden: verpletterd door een boom. Brave Jim en Two-Gun Joe: vertrappeld door een meute runderen, net als Cloudy Whispers vrouw. De ongelukkige Indiaan: gewurgd door woedende wortels. Zelfs sheriff Mort verdiende zijn gruwelijke dood niet. En wat staat mij te wachten? Wat als ook ik dood ben en dit de hel is. Misschien is dit mijn tantaluskwelling. Goud, olie en edelstenen in overvloed, maar nergens de mogelijkheid om van die rijkdom te genieten en niemand om mijn geluk mee te delen. Zwijgend zet hij zijn weg verder tot hij aan een vijver komt. Een dunne lichtstraal valt door een opening hoog boven hem en weerspiegelt op het wateroppervlak. Er hangt een touw naar beneden; aan dat touw drijft een emmer in het water. Hij bevindt zich onder de waterput van het stadje. Dit is zijn weg terug naar de bewoonde wereld, weet hij. Er staat maar één iets in zijn weg. Wie of wat bracht het onheil over Dutchman’s Gulch? ‘Sadie!’ roept hij uit. ‘Je leeft nog!’ Cloudy Whispers dochter staat aan de rand van de vijver. Ze wordt omgeven door een vreemde, groene gloed. ‘Sadie leeft nog,’ antwoordt het meisje, ‘maar ik ben Sadie niet. Ik ben Nawaya, beschermgodin van het Great Basin.’ ‘Nawaya?’ vraagt Doc. ‘Wat heb je met Sadie gedaan? Heb jij het land tegen ons opgezet?’ Ze knikt. ‘Maar wat hebben wij je ooit misdaan?’ ‘Met Sadie is alles in orde,’ stelt Nawaya Doc gerust. ‘Zij heeft een onschuldige geest en ze wordt weer de oude zodra ik haar lichaam verlaat. Ik leen haar enkel om je mijn boodschap over te brengen.’ ‘Hoe durf je te beweren dat alles weer in orde komt met haar?’ fulmineert Doc. ‘Je hebt haar ouders vermoord.’ ‘Haar ouders waren niet zonder zonde,’ legt Nawaya uit. ‘Iedereen die vandaag omkwam, verdiende het te sterven. Big Frank leek nog tot het inzicht te komen dat de inwoners fouten hadden begaan, maar ook voor hem was het te laat.’ ‘En ik dan? Waarom liet je mij leven?’ daagt Doc Nawaya uit. ‘God weet dat ik geen Heilige ben. Ga je me ook doden? Of ga je me eerst nog een beetje martelen?’ ‘God heeft hier niets mee te maken,’ lacht Nawaya, ‘en of je blijft leven, hangt volledig af van wat je antwoordt op mijn volgende vraag. Misschien verkies je wel te sterven.’ Doc wil iets zeggen, maar hij houdt zich in. Daarnet nog waande hij zich zo rijk als Croesus, maar het besef dat die rijkdom van geen waarde is zolang hij in deze ondergrondse krochten moet ronddwalen, brengt hem terug naar de realiteit. Wat als Nawaya hem de keuze geeft tussen de dood en een lot dat erger is dan de dood? Het lijkt wel alsof Nawaya zijn gedachten kan lezen, want ze zegt: ‘De hemel kan ik je niet beloven, maar ik kan er wel voor zorgen dat je uit deze hel ontsnapt.’ Doc kijkt langs het touw naar boven. Sadie is zo uit de weg geduwd. Hij hoeft maar een sprintje te maken en … nee, dat lukt nooit. Nawaya haalt hem met wortels en tentakels terug, vogels versperren de uitgang of runderen vertrappen hem zodra hij uit de waterput stapt. ‘Stel je vraag maar,’ zegt hij, verslagen nog voor hij een uitval waagt. ‘Ik heb de toekomst gezien,’ zegt Nawaya, ‘en ze zag er niet mooi uit.’ Ze draait zich om naar de vijver en strooit er glanzende korrels over uit. Elke rimpeling verdwijnt. Het water wordt een oppervlak van zilver waar bewegende beelden op verschijnen. Doc herkent Dutchman’s Gulch aan de grillige Joshua trees, maar er staan nog geen huizen rond de waterput, enkel een aantal primitieve tenten. ‘Ooit leefden mens en natuur in perfecte harmonie,’ begint Nawaya haar verhaal. ‘Indianen namen van de natuur wat ze nodig hadden om te overleven, maar ze gaven ook veel terug.’ Nu verschijnen de eerste huifkarren. Ruwe bonken verjagen de Indianen uit hun tenten. Er is goud gevonden in de buurt. ‘Het goud leek wel een magneet,’ zegt Nawaya. ‘Van heinde en verre kwamen avonturiers op zoek naar fortuin. Ze maakten alles kapot.’ Doc ziet hoe de rivieren verstoord worden door mannen met zeven en goudpannen en hoe overal op het land en in de bergen gegraven en gehakt wordt. Het eerste gebouw dat bij de waterput verschijnt, is een general store, dan Eager Cindy’s hoerenkast en de zaak van de begrafenisondernemer. Een handvol Indianen is in de buurt blijven hangen, maar ze geven een lusteloze indruk. ‘Ik moest wel in opstand komen, dat begrijp je toch?’ verduidelijkt Nawaya. ‘Kijk naar wat de toekomst brengt als ik de mens laat begaan.’ Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Doc Inferno ziet hoe er olie ontdekt wordt. Binnen de kortste keren staat het landschap vol jaknikkers. De goudzoekers worden op hun beurt verdreven. Huizen, winkels en saloons gaan tegen de grond om plaats te maken voor verharde straten, een mijn en pijpleidingen. ‘Als dat de toekomst is,’ onderbreekt Doc Nawaya, ‘wat kan ik dan nog voor je betekenen? Vooruitgang is toch niet te stoppen?’ ‘Dat is de keuze die ik te bieden heb,’ zegt Nawaya. ‘Je kan de moed opgeven door hier en nu te sterven. Ik zal het kort en pijnloos maken als je daarom vraagt.’ ‘En het alternatief?’ vraagt Doc. ‘Ik kan je eeuwig leven geven, maar dan moet je beloven dat je alles in het werk stelt om de toekomst zoals ik je die voorgespiegeld heb in de vijver, te veranderen.’ # Doc scrolt door nieuwsberichten op zijn telefoon en probeert een duidelijk beeld te krijgen van de brandhaarden, maar alle bronnen spreken elkaar tegen, en de officiële berichtgeving lijkt achter te lopen op de werkelijkheid. “Er is geen reden tot evacuatie van Wildwood. Verhoogde waakzaamheid is geboden.” En dan post iemand een filmpje van zijn kippenhok dat in lichterlaaie staat. Fake news of incompetente overheden of, zoals gewoonlijk, allebei? Het is nog vroeg, dus Doc ontbijt op de patio. Over een uur zal het alweer te heet zijn om nog buiten te komen. Zijn eigen gazon is diepgroen - de sprinklers zijn net weer verzonken - en het zwembad lonkt, maar Doc is bezorgd. Als het vuur tot hier komt, moet hij Sadie’s Ranch achterlaten, en wie weet in welke toestand hij het huis dan terugvindt? Hij had meer bos rond de ranch moeten laten kappen. Hij had nog meer sprinklers moeten laten installeren. Hij besluit de helikopter te laten klaarmaken - just in case. Zijn telefoon pingt. Nieuw bericht. Titel: ‘Time to meet’ van een onbekend contact. Hoe is dat door de filters heen geraakt? Bericht lezen. ‘Doc, je wist dat dit moment zou komen. Dutchman’s Gulch, deze middag, 12 uur stipt. Nawaya’ Dit zou een slechte grap moeten zijn, alleen bestaat er niemand die deze grap kan maken. Sadie is al lang dood. Iedereen is dood, lijkt het wel. En wat er staat is waar: Doc verwacht dit moment al lang. Als hij al twijfelt aan de waarachtigheid van het bericht, is het omdat het zo laat komt. Als je lang genoeg wacht, lossen de meeste problemen zichzelf op - alleen mag je daar nooit op rekenen. Het verleden tikt plots op je schouder en eist een rendez-vous. Dutchman’s Gulf is niet ver, maar een rechte lijn is uitgesloten door de bosbranden en de dikke rookpluimen die als onkruid uit de aarde schieten. Doc vliegt zelf. Zijn vliegbrevet is al lang verlopen, maar sommige dingen verleer je niet, en de kans dat hij nog terugkomt is klein. Waarom andere levens riskeren? Hij is in decennia niet meer in Dutchman’s Gulch geweest. De mijn raakte uitgeput in de jaren ‘50 van de vorige eeuw, en het olieveld was minder lucratief gebleken dan gedacht. Hij was - net als de anderen - uitgeweken richting LA, naar Nevada in het oosten, zelfs naar Texas, al zagen ze hem daar niet graag komen. Texanen zien niemand graag komen. Maar met genoeg geld kun je alles gedaan krijgen, dat had hij al snel geleerd. Hij zet de helikopter aan de grond waar het dorp had gestaan dat de fundamenten van zijn fortuin had gelegd. Eens dat fundament er ligt, hoef je niet veel meer te doen - ook dat had hij geleerd. Doc herinnert zich hoe de natuur zich hier ooit verweerde tegen de beschaving, maar hier is geen natuur meer. Er is ook geen beschaving. Natuur en cultuur zijn op elkaar gebotst en hebben elkaar - tenminste tijdelijk - opgeheven. Misschien is er te veel olie in de grond gelekt bij het oppompen. Misschien zijn de zomers te heet en de winters te bar. In elk geval: hier groeit niets, en hier woont niemand, en eens de rotorbladen van de helikopter tot stilstand komen, is er ook niets te horen. ‘Doodse stilte’ is nog nooit zo toepasselijk geweest als uitdrukking. Docs telefoon is hier, zoals verwacht, volkomen nutteloos: geen enkel streepje. Doc haalt zijn oude Colt Navy uit de holster en laat de perfect geoliede cilinder draaien. Ze hebben altijd goed voor elkaar gezorgd, hij en de Colt. Tijd voor hun laatste avontuur. De hitte slaat Doc in het gezicht. De zon hamert genadeloos neer op de levenloze vlakte. In het midden van de ruïnes van het verlaten stadje, bij de waterput waar Main Street was, staat een gigantische Indiaan. Om zijn hals en op zijn hemd van hertenleer draagt hij pennen van stekelvarkens en veelkleurige kralen. Een Shoshone, herkent Doc van ver. En hij herkent nog meer. ‘Cloudy?’ ‘Je bent terug. Terug op deze verdoemde plek.’ ‘Jij bent dood.’ ‘O, ja hoor. Al jaren. Langer. Dood en lekker dronken. Moet je ook eens proberen.’ Zijn dunne stemmetje treft Doc nog het meest, en sleurt hem mee terug in de tijd, naar Brave Jim, Big Frank, Two-Gun, naar Sadie… altijd weer naar Sadie. Is het zijn verbeelding, of slaat de klok echt twaalf uur? In Cloudy’s hand blinkt een revolver. Docs Navy flitst omhoog en twee knallen klinken bijna tegelijk. Iets steekt in Docs bovenarm. Cloudy staat stokstijf, wankelt, een rode vlek op zijn borst, hij zakt door zijn knieën, en valt opzij in het stof, zwaar en donker van olie en bloed. Doc steekt de Navy in de holster en grijpt naar zijn linkerarm. Bloed kleeft aan zijn vingers. Een schampschot. Een grimas. Pijnlijk, maar niet meteen levensbedreigend. Hij heeft wel erger meegemaakt, al is dat lang geleden. Hij stapt op het roerloze lichaam bij de waterput af. Zo opgeplooid op de grond is er niets imposants meer aan Cloudy Whisper; hij lijkt wel verschrompeld in de hitte. Doc legt zijn hand op een schouder en rolt het lichaam op de rug. Hij kijkt in het gezicht van Sadie. Ze knippert met de ogen, maar de zon is te fel. Ze komt overeind, gaat rechtop zitten en kijkt Doc aan. ‘Ik wist wel dat je zou komen.’ ‘Sadie, is dit … echt?’ ‘Sadie, Nawaya, echt of niet echt, wat maakt het uit?’ ‘Je bent zo jong gestorven. We hadden zoveel kunnen meemaken, zoveel kunnen doen. Zoveel kunnen veranderen.’ ‘Jij wou helemaal niets veranderen, Doc. Jij was vergiftigd, zodra je dat goud zag en de olie rook.’ ‘Ik hield van je.’ ‘En toch koos je niet voor mij.’ ‘Ik heb altijd voor je gekozen. Toen je ziek werd, liet ik de beste dokters komen, je kreeg de duurste medicijnen… maar je kwijnde weg. Je liet me achter.’ ‘Ik werd ziek van jou, Doc. Begrijp je dat nog altijd niet?’ Haar woorden klinken zacht, niet als een vuistslag, maar als een liefkozing. ‘Ik heb je zo gemist.’ ‘Jij wou een kwetsbaar Shoshonemeisje om voor te zorgen, je was niet klaar voor een godin. Je hebt alleen het meisje gemist; aan de godin heb je niet meer gedacht. Ik kan het je niet eens kwalijk nemen. Ik heb je overschat. Jij was niet klaar om die keuze te maken.’ ‘Wat wil je van me, Nawaya?’ ‘Je revolver.’ Doc haalt de trouwe Navy uit zijn holster. De kolf is gladgesleten en voelt zacht, warm, vertrouwd. Nawaya klikt de cilinder open en haalt er een voor een vier kogels uit. Ze klemt ze even in haar hand, en gooit ze dan achteloos in de waterput. Ze maken geen geluid. ‘Misschien ben je nu wel klaar voor een keuze - je hebt tenslotte lang geleefd, al weet ik niet zeker dat je veel geleerd hebt. Je hebt nog een kogel over, Doc. Jij of ik, dat is de keuze. Jij of ik. Geen valse beloften, deze keer. Geen uitvluchten.’ Een enkele knal weerkaatst tegen de flanken van de vallei, trilt in de middaghitte, en galmt nog lang na. Edward van Egmond bezorgde me een spannend verhaal. Dank je, Edward! Photo credit: MythologyArt, via Pixabay. EDWARD VAN EGMOND - HET EXAMEN
De prairiehonden staarden gefascineerd naar het gracieus heen en weer flitsen van zijn zwaard. Hij kwam vaker naar deze plek in de woestijn om voor dag en dauw zijn oefeningen te doen. De stilte, de eenzaamheid en de kille, droge ochtendlucht vormden een perfecte omgeving. Hij liep door een serie kata’s, voelde zijn spieren spannen en verloor zich in de bijna hypnotische flitsen van het vroege zonlicht op zijn zwaard. Hij voelde het eerder dan hij zag, de haren op zijn armen kwamen overeind, alsof er elektriciteit in de lucht hing. Ineens zag hij zichzelf, identiek gekleed in een zwart trainingspak, bezig met dezelfde kata, maar dan in spiegelbeeld. Op het hoogtepunt doorkliefden de zwaarden dezelfde ruimte, waarbij ze hard tegen elkaar sloegen en een vonkenregen veroorzaakten. Wat is dit? dacht hij. Nu sprong het zwaard van zijn tegenstander naar zijn hoofd. Hij weerde eenvoudig af en voerde een tegenaanval uit. Afweren, aanvallen, de dans werd complexer en gevaarlijker. De opening was nauwelijks zichtbaar, maar kondigde zich aan. Hij nam hem en stootte zijn zwaard diep in zijn tegenstander, die spontaan oploste. De prairiehonden haalden hun schouders op en verdwenen ondergronds. Thuis werd hij opgewacht door zijn meester. “Je versloeg de zanddemon. Je opleiding is voltooid.” “Maar ik moet nog zoveel leren.” De meester knikte. “Maar niet bij mij.” |
AuteurFinn Audenaert rapporteert uit randgebieden van Archives
Januari 2025
Categories |
RSS-feed